In dit stuk wordt aandacht besteed aan verschillende aspecten van de pijntheorie. Geldende definities van onder andere de International Association of Pain (IASP) worden besproken. Omdat pijn bij volwassenen niet hetzelfde is als pijn bij kinderen kunnen die definities niet zomaar van toepassing zijn op kinderen en we zullen die definities kritisch moeten benaderen. Twee van de meest aangehaalde pijntheorieën worden kort aangestipt. Vervolgens wordt ingegaan op de dynamiek van pijn en reacties op pijn. Tot slot wordt door middel van classificaties ingegaan op pogingen om de verschillende kwaliteiten van pijn een plaats te geven.
Er zijn een aantal definities van pijn beschikbaar. De twee meest aangehaalde definities zijn:
Pijn is een complex multidimensioneel fenomeen, dat afhankelijk is van de individuele beschrijving of beleving van sensorische en emotionele ervaringen die gepaard gaan met (potentiële) weefselbeschadiging (Merskey et al, 1979).
Pijn is een onaangename sensorische en emotionele ervaring, geassocieerd met (potentiële) weefselschade of beschreven in termen van dergelijke schade
Pijn is altijd subjectief. Ieder individu leert de toepassing van het concept pijn door ervaringen met verwondingen in de eerste levensjaren. Biologen stellen dat prikkels die pijn veroorzaken samenhangen met weefselschade. Er zijn echter ook mensen die pijn ervaren in de afwezigheid van weefselschade of een duidelijke pathofysiologische oorzaak. Als we uitgaan van het subjectieve karakter van pijn is er nauwelijks een objectief onderscheid te maken tussen deze ervaring en de ervaring ten gevolge van weefselschade. Ook in deze gevallen spreken we dus van pijn. Deze uitspraak verbindt pijn niet langer met een voor iedereen herkenbare prikkel. We zouden nu gemakkelijk kunnen stellen dat pijn “pijn is als de patiënt zegt pijn te hebben”. Omdat pijn subjectief is gaan we bij patiënten met pijn uit van een vorm van communicatie of zelfrapportage. Niet alle patiënten zijn daartoe echter in staat. Pijn is dus niet alleen pijn als de patiënt je verteld pijn te hebben. Verder wordt er gesteld dat er een leercurve is bij het ervaren van pijn: het leren heb je nodig om de ernst van de pijn te kunnen inschalen. Het voelen van pijn heeft echter geen ‘eerdere’ ervaring nodig. Het zou onlogisch zijn als pijnperceptie een aangeleerde vaardigheid is: immers pijn is een primair gevoel wat het organisme tegen schadelijke invloeden zou moeten beschermen. Pijn is een kwaliteit die bij het leven hoort als ademen, ruiken en horen. De subjectieve interpretatie van pijn, doet de ene prikkel meer ‘au’ dan de andere, leert men door ervaring op te doen met het fenomeen. We moeten concluderen dat er op dit moment geen omschrijving te geven is van het concept pijn welke rekening houdt met al deze gedachten en welke van toepassing is op zowel volwassenen, grotere kinderen, het jonge kind, pasgeborenen en prematuren.
De poorttheorie van Melzack en Wall 2 omschrijft in wezen dat de mens in staat is pijnprikkels meer of minder door te laten naar het centrale zenuwstelsel. Het zenuwstelsel, zo stelt deze theorie, is een actief systeem waar prikkels worden gefilterd, geselecteerd en bewerkt. Daarmee wordt de waarneming en beleving van pijn beïnvloedt. We onderscheiden A-δ vezels en C-vezels die gevoelig zijn voor prikkels door weefselbeschadiging. De A-δ vezels zijn dikke, weinig gemyeliniseerde vezels en zorgen voor een snelle prikkelgeleiding. Deze vezels geleiden de felle pijnscheut na een verwonding. De C-vezels zijn dun en niet-gemyeliniseerd en zorgen voor een trage prikkelgeleiding (de aanhoudende, moeilijk te lokaliseren, zeurende pijn). Beide types zenuwen geleiden de prikkel naar de dorsale hoorn van het ruggenmerg, alwaar doorschakeling plaatsvindt naar de centrale geleiding. Op dat moment vindt een complexe modulering van pijn plaats . Als er een bepaalde drempel wordt overschreden wordt de prikkel doorgeleid naar hoger gelegen centra. Intussen is de prikkel echter ook via andere, dikke en snel geleidende vezels naar hoger gelegen centra geleid. Daar wordt de prikkel ook gemoduleerd en er gaat een seintje terug naar de dorsale hoorn. Ook dat sein speelt een rol in de versterking of afzwakking van de prikkel. Al naar gelang de omstandigheden wordt de pijnprikkel dus afgezwakt of versterkt, hetgeen de uiteindelijke reactie op de pijnprikkel bepaalt.
Figuur: Poorttheorie van Melzack en Wall (mk II): prikkels uit de periferie worden naar 3 systemen geleid: cellen in de substantia gelatinosa (SG), dorsale vezels die direct in verbinding staan met de hersenen (cognitieve controle) en de transmissie-cellen (T) in het ruggenmerg die de informatietoevoer naar de hersenen regelen. In de dorsale hoorn is een poortsysteem in werking dat de doorgifte van de prikkel uit de periferie versterkt of verzwakt (moduleert). Dit mechanisme wordt gestuurd door de activiteit in de dikke en dunne vezels: activiteit in de dikke vezels doet de poort sluiten, activiteit in de dunne vezels doet de poort openen (en laat de prikkel dus door). De werking van deze poort wordt ook beïnvloed door signalen uit de hersenen. Deze signalen worden verstuurd door het cognitief controle-centrum en zijn gebaseerd op de oorspronkelijke prikkel. Als het signaal in de transmissie-cel een bepaalde drempel overschrijdt wordt het actie-systeem in werking gezet. Dit actie-systeem zorgt voor de pijnervaring en de pijnreactie.
Loeser 1 beschrijft pijn aan de hand van een cirkelmodel. Dit cirkelmodel probeert het proces van pijnprikkel tot pijngedrag te beschrijven en is niet zozeer een fysiologisch model. De eerste cirkel wordt gevormd door de nociceptie: het waarnemen van pijn die ontstaat als vrije zenuwuiteinden van A-δ vezels of C-vezels geprikkeld worden. De tweede cirkel, gewaarwording van pijn, vertegenwoordigt het doorgeven van de prikkel aan de hersenen waarbij er een drempel wordt overschreden. De prikkel moet dus sterk genoeg zijn. Factoren die deze pijndrempel mede bepalen zijn bijvoorbeeld de gedragstoestand en pijnstillende medicijnen, maar ook de zwangerschapsduur. De derde cirkel wordt gevormd door pijnbeleving. Pas als er ervaring met pijn is opgedaan kun je spreken van pijnbeleving. Zo wordt bijvoorbeeld de ernst van de pijn gespiegeld aan eerdere pijnervaringen. Voordat er sprake is van pijnbeleving zou de pasgeborene dus een eerste pijnmoment moeten hebben gehad. De vierde cirkel wordt gevormd door pijngedrag. Pijngedrag is datgene wat de persoon die pijn ervaart laat zien of horen. Pijngedrag wordt beïnvloed door bijvoorbeeld de ernst van de pijn, de mate van ziek zijn en de zwangerschapsduur. De cirkel van Loeser kan niet zuiver hiërarchisch worden beschouwd. De pasgeborene die een eerste pijnprikkel ondergaat zal daarop reageren met pijngedrag. Dat gedrag zal, bijvoorbeeld bij een hielprik, bestaan uit een reflexmatige terugtrek- reactie (alvorens pijnbeleving optreedt!) en later pijngedrag in de vorm van beweging van ledematen, huilen en de mimiek die daarbij past, veranderingen in fysiologische parameters enzovoorts
Pijnlokalisatie, pijnbesef en pijnherinnering ontstaan als de prikkel in de somatosensorische hersenschors is aangekomen. Pijnperceptie is een dynamisch proces. Het bestaat niet uit een simpel elektrisch schakelcircuit, zoals ook blijkt uit de poorttheorie van Melzack en Wall. Naast pijnspecifieke zenuwcellen (high-threshold-mechanonociceptor of HTMN) bestaan er ook multigevoelige zenuwcellen (polymodale nociceptor of PMN) die naast pijn op een aantal andere gevoelsprikkels reageren. Bij herhaalde pijnprikkels kunnen de pijnspecifieke zenuwcellen zich omvormen tot multigevoelige zenuwcellen. Het gevolg is dat deze cellen prikkels die normaal niet pijnlijk zijn, zoals aanraking, registreren als pijn. Dit fenomeen staat bekend als hyperalgesie of ‘winding-up fenomenon’. Door netwerkvorming tussen verschillende ruggenmergniveaus kan het gebied waar pijn gevoeld wordt zich zelfs nog uitbreiden. Herhaalde pijn leidt dus tot meer uitgesproken pijn, zowel qua duur als intensiteit. Zoals we hebben gezien bij de poorttheorie kunnen de hersenen de input van pijnprikkels regelen. Dit gebeurt via afdalende (descenderende) zenuwbanen die de doorschakeling van pijn ter hoogte van het ruggenmerg kunnen remmen door endorfinen (lichaamseigen, morfine-achtige stoffen). Deze zenuwbanen zijn bij (premature) pasgeborenen nog niet volledig ontwikkeld. Endorfine cellen in de hypofyse kunnen al wel vanaf de 20e week na de conceptie β-endorfinen aanmaken. Bij de geboorte en pijn neemt de produktie van deze stof toe. Endorfinen werken in op de opiaatreceptoren van het ruggenmerg, wat leidt tot een zekere mate van stressreductie en analgesie. We kennen allemaal de kinderen die niet of nauwelijks reageren op pijnprikkels. Een van de factoren die deze variatie in reacties op pijn (van reageren met pijn op een prikkel die normaal niet pijnlijk is tot niet reageren op een prikkel die normaal wel pijnlijk is) kunnen verklaren is het gedragsstadium waarin het kind zich bevindt 3. Een diep slapend kind reageert veel minder heftig op pijn dan een actief wakker kind. Andere beïnvloedende factoren zijn postconceptionele en postnatale leeftijd. Een vierde factor is het interval tussen verschillende pijnprikkels. Hoe korter dat interval, hoe minder uitgesproken de reactie op pijn is bij het tweede pijnmoment.
Deze dynamiek in pijnreacties kan leiden tot foutieve interpretatie. Als een kind niet reageert op pijn kunnen er twee verklaringen zijn: het kind voelt daadwerkelijk geen pijn of het kind kan niet reageren op de pijn. Als we kijken naar de eerste verklaring dan moeten we vaststellen dat er sprake zou kunnen zijn van werking van endorfinen. De enige 2 studies die hier iets over zeggen concluderen dat endorfinen-spiegels 2 uur na geboortestress en stress ten gevolge van een intubatie afnemen 4,5. Als we stellen dat het kind de pijn wel voelt maar niet adequaat kan reageren biedt de synactieve theorie van ontwikkeling van Heidelise Als bij pasgeborenen een verklaring 6. Volgens deze theorie reageren pasgeborenen op extreme stress met ongeorganiseerd gedrag. Ze zijn niet langer in staat een voor de prikkel adequate reactie te laten zien. In de praktijk is dit ook zichtbaar. Als een prematuur kindje wordt gewogen reageert dat kindje daarop met spreiden van de ledematen, trillerige bewegingen, gapen en andere tekenen van stress. Als de handeling te lang duurt raakt zo’n kindje uitgeput en reageert helemaal niet meer. Steeds meer NICU’s gaan in het kader van deze inzichten over op verpleging volgens de NIDCAP-principes, waarin terdege rekening wordt gehouden met de reacties van het kind op alle handelingen.